Skien
Ontstaan
De ski kwam als eerste voor in Scandinavië waar het gebruikt werd als een manier van voortbeweging door de diepe sneeuw.
Door middel van een lange smalle plank aan elk van hun voeten te binden konden de mensen zich
over de sneeuw bewegen zonder door de sneeuw te zakken. Daarboven zorgde de lange smalle vorm, en de druk op de sneeuw ervoor dat ze voort konden glijden. Vooral op een helling naar beneden was dit een groot voordeel omdat ze amper moeite moesten doen om vooruit te geraken.
De ski’s werden toen nog gemaakt van hout en het was geen zware klus om ze te maken, omdat de afwerking vaak ongemoeid bleef. Het was namelijk een gebruiksvoorwerp en geen ornament.
Wel werden de ski’s toen al met was ingewreven om de weerstand met de sneeuw te verkleinen. Zo was de ski efficiënter dan ooit.
Hedendaags
Vandaag is skiën echter geen belangerijk transportmiddel meer. Het is een recreatie- en olympische sport geworden.
Ook zijn ski’s niet meer gemaakt van hout, maar van hoog technologische gelaagde kunststoffen zoals glasvezel of koolstof. Wat het glijvermogen van de ski vergroot en dus ook de prestaties.
Ook worden ski’s niet gewoon vastgebonden aan de voeten maar zijn er systemen uitgevonden om een speciale schoen, of “boot” vast te klikken in de ski.
Materiaal
Om te skiën naargelange welke vorm men wilt beoefenen een aantal spullen nodig.
Ski’s
Ski’s om op te skiën zijn natuurlijk onontbeerlijk.
De latten hebben een bepaalde vorm die dunner is in het midden, om bij bochten automatisch de ski door te buigen in een curve, die de bocht zal maken.
Om een ski deze flexibiliteit te geven zijn ze vaak gemaakt van meerdere lagen kunststof. Vaak wordt glasvezel gebruikt omdat dit een buigbaar, maar tegelijk ook stevig materiaal is. De onderkant is meestal van staal om een goede glijding te garanderen.
Ook moet men wax (was) hebben om de ski’s glad te kunnen houden, anders verloopt het skiën stroef en is er niets meer aan.
Stokken
Skieërs hebben ook stokken nodig, dit vooral om zichzelf recht te kunnen houden, en zichzelf aan te kunnen duwen om te starten.
Stokken worden bij slalom ook gebruikt om het evenwicht te bewaren aangezien de skieër tegen hoge snelheden ver doorhelt is een precies gevoel van balans nodig, de stokken helpen hier zeer veel bij.
Goede stokken zijn licht, en aangepast aan de lengte van de skieër. Ze zijn daarom vaak gemaakt van carbon, omdat het een goedkoop en licht materiaal is.
Schoenen en bindingen om de schoen aan de ski te bevestigen
Om er voor te zorgen dat de ski aan de voet te bevestigen is, heeft men een speciaal systeem ontwikkelt dat de ski vasthoudt, maar bij een zelf in te stellen kracht ook weer loslaat. Dit is zeer belangerijk als een skieër valt aangezien de ski door haar lengte een hefboomeffect creëert en makelijk botten kan breken.
De schoenen kunnen van hard plastic, of sterk leer of rekbaar kunststof zijn. De voering is vaak dik om het binnenin de schoen warm te houden.
Bij het kiezen van een schoen moet men ook altijd in het achterhoofd houden dat men in een skischoen dikke sokken draagt. Daarom is het aan te raden een skischoen een maat groter te kopen dan normale schoenen.
Beschermende kleding
Zelfs een ski instructeur kan vallen, daarom is het zeer belangerijk dat men bij het beoefenen van de sport beschermende kleding aan doet om onheil te voorkomen.
Aan te raden zijn een helm, om verwondingen aan het hoofd te voorkomen. Hoofdverwondingen kunnen namelijk zeer fel bloeden en een bloedtekort veroorzaken. Om niet te spreken van een ernstige hersenschudding of zelfs het verliezen van het leven bij een zware val.
Helmen werken door tussen het hoofd en harde voorwerpen een zachte laag te voorzien, vaak in de vorm van stevig piepschuim met een laag plastic erboven.
Daarnaast zou elke skieër kniebeschermers, elleboogbeschermers en polsbeschermers moeten dragen omdat de zwakste beenderen zich daar bevinden.
Veel mensen vinden veiligheidsuitrusting maar niets omdat het er maar “grappig” uitzien, maar elk jaar zien we op het nieuws hoe het slecht kan aflopen, daarom is dit ten zeerste aan te raden.
Goede bescherming is ook niet al te duur en het bespaart je veel ziekenhuiskosten moest men zich bezeren.
Soorten skiën
Zoals in vele sporten zijn er ook in het skiën verschillende takken die men kan beoefenen.
Elke tak van het skiën wordt vooral beoefend in een bepaald skigebied.
Hieronder een meer uitleg over de voornaamste skigebieden en de bijhorende sporttakken.
Noors
Zoals de naam het al zegt wordt Noors skiën beoefent in Noorwegen, en de omliggende streken.
Noorwegen is een land gelegen in het noorden, waar het constant zeer koud is, en de sneeuw dus makelijk blijft liggen.
In de loop der jaren zijn daar ook enkele apparte takken van het skiën uitgegroeid zoals langlaufen, schansspringen, en anderen.
Langlaufen
Bij langlaufen is het niet zozeer de bedoeling om snelheid te halen of ver te springen, het heeft eerder meer weg van een wandeling. Bij langlaufen volgt men namelijk een traject met hellingen en afdalingen, in plaats van enkel een afdaling te maken zoals bij gewoon skiën. Dit houdt in dat langlaufen niet intensiever is, maar wel vermoeinder. Omdat er beklimmingen gedaan moeten worden. Daarentegen staan er weinig krachten op de langlaufer omdat er geen bochten of sprongen gemaakt worden tegen hoge snelheid.
De persoon gebruikt nog steeds een paar ski’s en stokken, maar de ski’s zijn speciaal ontworpen voor langlaufen. Ze zijn namelijk iets dunner om zich in de sneeuw te drukken bij het beklimmen van een helling. Ook hebben ze naar achter gerichte ribbels die zich vasthechten in de sneeuw bij het afduwen, maar laten ze los bij het voortslepen van de ski. Een andere manier is om de hele ski in te waxen voor een goed glijvermogen, maar dan moet men de ski wel schuin in de sneeuw duwen om zich af te kunnen duwen op een helling.
Langlaufen is ook minder gevaarlijk omdat er, in tegenstelling tot skiën op een afdaling geen hoge snelheden bij te pas komen. Daarom is het één van de meer courante vormen van skiën omdat het een breed publiek aanspreekt, niet duur is en de risicofactor zeer laag is.
Schansspringen
Schansspringen is een iets gevaarlijkere vorm van skiën die niet recreatief, maar in wedstrijdverband beoefent wordt.
De bedoeling is om zoveel mogelijk snelheid te halen, van een schans te springen en zo ver mogelijk te landen.
Om te beginnen zit een schansspringer op een balk bovenaan de afdaling die in hoogte aanpasbaar is door de scheidsrechters.
Daarna zet de schansspringer zich af en maakt zoveel mogelijk snelheid tot wel 70-100km/u. Daarna springt de atleet van de schans die omhoog gerich is. Terwijl de schansspringer in de lucht hangt probeert hij zich zo aerodynamisch mogelijk op te stellen om zo ver mogelijk weg van het eind van de schans te geraken.
Extra punten worden uitgereikt bij het maken van een mooie landing volgens de Telemark-houding, waarbij het lijkt alsof de schansspringer een kniebuiging maakt naar de jury.
Schansen zijn speciaal ontworpen volgens zogenaande K-waarden. De K waarde bepaalt hoe ver een schansspringer veilig kan springen in meter.
Kleine schansen hebben gewoonlijk een K-waarde van 70-100 meter
Middelgrote schansen hebben gewoonlijk een K waarde van 100-130 meter
Grote schansen hebben gewoonlijk een K waarde van 145-185 meter.
Schansen moeten tevens ook met een grote precisie gemaakt worden, omdat bij deze snelheden, hoogten en krachten het kleinste detail een zwaar ongeval kan betekenen.
Wegens het gevaar dat gepaard gaat met schansspringen is het slechts op kleine afstanden een recreatief gebeuren. Verre sprongen vereisen veel voorbereiding, training en expretise.
Noordse Combinatie
De Noordse Combinatie is ook een tak van het skiën die enkel in wedstrijdverband beoefent wordt. Het is een combinatie van schansspringen en langlaufen
Een wedstrijd verloopt als volgt.
Eerst springt elke wedstrijd-deelnemer 2 sprongen van een 120-meter of 90-meter schans (de hele wedstrijd wordt met 1 schans gedaan). Daarna wordt het aantal punten van de 2 sprongen bijeengeteld, en het verschil met de beste schansspringer van de wedstrijd vergeleken.
Volgens Gundersen-methode wordt dan het aantal strafseconden berekend voor het volgende onderdeel. Voor elk punt dat men minder heeft dan de punten van de beste 2 sprongen, krijgt men 4 seconden straftijd.
In het 2e onderdeel moet elke deelnemer van de wedstrijd een traject van 15 kilometer langlaufen. Waarbij de beste schansspringer uit het eerste deel als eerste start, en de andere deelnemers het respectievelijke aantal seconden starten, berekend volgens de Gundersen methode op hun sprongen, na de winnaar van het eerste deel.
Degene die dan als eerste finisht is de winnaar van de wedsrijd.
Omdat de Noordse combinatie zich richt op wedstrijden is het amper beoefent als een recreatieve sport.
Langlaufen met schietbaan (biatlon)
Een biatlon bestaat uit twee onderdelen die constant door elkaar geweven worden.
Bij de individuele proef gaat dit als volgt.
In de eerste instantie moet de atleet een traject afleggen van 20km voor mannen of 15km voor vrouwen op ski’s.
Tijdens het traject wordt er 4 maal geschoten, afwisselend staand en lggen.
Bij het schieten moet de atleet een wapen gebruiken dat hij of zij de hele wedstrijd op de rug draagt. Het wapen weegt rond de 3.5 kilogram en schiet 5.6mm kogels (.22 inch). Het is tevens ook handgeladen
Met dat wapen moet de biatleet 5 zwarte schijven neer schieten die bij het raken van een kogel wit worden. De atleet heeft slechts één kogel per schijf, en voor elke gemiste schijf wordt een minuut straftijd bijgerekend.
De atleten starten afzonderlijk met gewoonlijk een interval van 30 seconden.
Bij de biatlon zijn er ook nog enkele onderverdelingen zoals de sprint, waarbij men 10km bij de mannen en 7.5km bij de vrouwen aflegt. Hiebij schiet men slechts 2 maal, een maal staand en een maal liggend. Bij elke gemiste schijf moet de atleet een strafronde van 150 meter afleggen. De deelnemers starten ook afzonderlijk en met een interval van gewoonlijk 30 seconden.
Nog een andere uitvoering van de biatlon is de achtervolging.
Hierbij worden de tijden uit een vorige proef (vaak een sprint) genomen, en start de winaar van de vorige proef. De andere deelnemers starten in volgorde van achterstand tegenover de vorige winnaar, met een interval gelijk aan de tijd die zij na de winnaar binnenkwamen in de vorige proef. Er wordt ook 4 maal geschoten, twee maal staand en twee maal liggend.
En er wordt een straftijd van 1 minuut gerekend per gemiste schijf. De winnaar is degene die als eerste de over finishlijn gaat.
Ook is er de massastart waarbij alle deelnemers allemaal tesamen starten. Omdat bij een massastart veel atleten opeengepakt zitten is de kans op vallen groot. Ook is er slechts een beperkt aantal schietplaatsen, waardoor er een beperkt aantal atleten per wedstrijd deel kan nemen. Bij kampioenschappen staat de limiet op 30, waarbij enkel de beste atleten mogen deelnemen.
Bij de massastart is het traject voor mannen 15 kilometer lang voor de mannen en 7.5 kilometer voor de vrouwen.
Voor elke gemiste schijf wordt moet er ook een strafronde gelopen worden.
Als laatste zijn er ook de aflossings wedstrijden die worden echter gestreden in teams. Elk team heeft vier atleten die elk 7.5km bij de mannen, of 6km bij de vrouwen afleggen. Ze schieten elk twee maal, eenmaal liggend en eenmaal staand. Het enige verschil bij het schieten is dat elke atleet per schietbeurt 3 extra kogels krijgt. Staan er na 8 kogels nog schijven recht, dan moet er per gemiste schijf nog eens 150 meter gelanglauft worden.
Het aflossen gebeurt door het lichaam van de volgende atleet aan te tikken in de daarvoor aangeduide zone.
De winaar is natuurlijk degene die als eerste over de finish lijn komt.
Er worden ook gemengde aflossings wedstrijden georganiseerd met 2 mannen en 2 vrouwen. De volgorde is altijd vrouw-vrouw-man-man. Elke atleet loopt 6km en schiet 2 maal, eenmal liggend en eenmaal staand. Voor de rest zijn de regels hetzelfde als bij een gewone aflossingswedstrijd
Wegens het dure materiaal en het feit dat de sport zeer vermoeiend is, is de biatlon amper een recreatieve tak van de ski-industrie.
Alpine
Zoals de naam het al zegt doet men aan Alpine-skiën in de Alpen, de bergketen op de grens tussen
Frankrijk en Italië. De Alpen zijn een zeer populaire plek voor veel recreatieve skieërs, maar het is ook een serieuze plaats waar kampioenschappen gestreden worden.
Ook in de Alpen hebben bepaalde takken zich meer naar voor geschoven als anderen. Hieronder volgt een overzicht.
Afdaling
De afdaling wordt beschouwd als het elite onderdeel van wedstrijd skiën. Dit is waarschijnlijk omdat het het oudste deel is dat al in competitie beoefent wordt.
Zoals de naam het al zegt daalt de atleet af van een bepaalde hoogte tot aan de finish. De parcours zijn gebouwd op snelheid. De poorten staan ver uiteen wat grote en snelle bochten toelaat. De snelheden lopen in dit soort wedstrijden op tot 120km/u wat niet zonder gevaar is.
Elke baan moet gemaakt worden volgens bepaalde normen. Zo is het minimale verschil in hoogte tussen de start en de finish 500 meter, en het maximale hoogteverschil 800m voor de vrouwen en 1100 meter voor de mannen.
Het parcour is gevarieerd met steile en minder steile delen. Het is gemiddeld 30 meter breed maar dit wordt in de bochten die amper aanwezig zijn vaak verbreed om hogere snelheden toe te laten.
De atleet moet telkens tussen 2 poorten heen skiën. De poorten bestaan uit 4 stokken in de grond met 2 blauwe vlaggen tussen 2 stokken. De vlaggen zijn 75 cm breed.
De binnenste palen van de 4 moeten minimum 8 meter uit elkaar staan.
In de bochten worden wel zones gemaakt met vangnetten moest er een atleet onder uit gaan, en worden harde voorwerpen afgebakend en gemarkeerd met netten, en worden ze beveiligd met grote kussens die te vergelijken zijn met matrassen of anders wordt er verpakt stro gebruikt om de impact te verkleinen.
Bij een wedstrijd zijn er enkele regels om alles makkelijker te doen verlopen.
De atleten moeten minimum één trainingsdag verplicth bijwonen de dag voor de wedstrijd. Er worden wel minimum 2 trainingsdagen ingelast voor de ateleten.
Het parcour moet er bij de training net hetzelfde bijliggen als bij de wedstrijd, het moet ook afgebakend zijn inclusief de finish zone.
Alle atleten en organisatoren moeten bij de training aanwezig zijn.
De rugnummers worden voor de training bepaald, en de atleten gaan in de volgorde van de tijden van de training naar beneden.
Elke afdaling heeft ook een kleurencode. De kleur van een afdaling is afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de afdaling.
Een blauwe piste is het makelijkste, en is gericht op beginnende tot gevorderde skieërs.
Rode pistes daarintegen zijn voor gevorderede skieërs met meer ervaring.
Zwarte pistes zijn de moeilijkste, ze zijn zeer stijl en ontworpen voor snelheid.
De afdaling is tevens ook de meest beoefende recreatieve tak van het skiën.
Slalom
De slalom gelijkt sterk op de afdaling. De verschillen liggen hem in het hoogteverschil dat tussen 120 en 200 meter voor vrouwen, en 140-220 meter bij mannen moet liggen.
De bochten zijn wisselend links- en rechtsom. Er zijn 55-75 poorten bij de mannen en 45-65 poorten bij de vrouwen, die tussen de 4 en de 6 meter breed zijn. Het is de bedoeling dat als de atleet een poort doorgaat, hij of zij van richting veranderd.
De afdalers moeten tussen elke poort skiën om hun afdaling geldig te maken.
Het is vooral bij de slalom dat het nut van de stokken naar boven komt,
Het is de taak van de ontwerpers van een parcour om zo veel mogelijk veranderingen van richting in het traject te verwerken, maar ook een vloeiende lijn in het traject te bewaren.
Een bocht mag niet vereisen dat een skieër tot een stilstand komt of een moeilijk manoeuver moet uitvoeren om van richting te veranderen.
Omdat de bochten vaak zéér veel oefening vereisen om onder de knie te krijgen en er veel techniek gekend moet zijn om de bochten te nemen is de slalom algemeen gekend als de moeilijkst te beoefenen tak van het skiën.
Reuzenslalom
De reuzenslalom is in zijn essentie een vergrote versie van de gewone slalom.
Alle regels zijn hetzelfde buiten dat de rode en blauwe poorten zich om de 15 a 30 meter afwisselen.
Daardood loopt de snelheid in de reuzeslalom hoger op. Soms tot wel 80 kilometer per uur.
Ook is de reuzenslalom veel gracieuzer. De skieër volgt het parcour in een vloeiende lijn. Hiervoor moet hij of zij een zware fysieke inspanning leveren.
Bijkomend is dat de skieërs zo dicht mogelijk tegen de binnenste palen willen skiën, om de baan zo kort mogelijk te houden. En ook al zijn de palen buigbaar, de aanrakingen met deze zijn vaak zeer heftig en kunnen de skistokken breken, of tegen het lichaam van de skieër terugveren. Wat vaak tot verwondingen leidt.
Super G
De super G is een snelle vorm van het skiën. In hoofdzaak is het een geavanceerde vorm van de afdaling.
Enkel ligt het aantal bochten hoger, om meer techniek van de atleten te vereisen.
De hoogteverschillen tussen de start en de aankomst liggen tussen de 500 en 650 meter bij de mannen. Voor vrouwen ligt dit op 400 tot 600 meter.
Carving
Carven op zich is niet een discipline van het skiën, maar wel een techniek die meer en meer opkomt.
Wat men wil bereiken is het stoppen van het wegschuiven van de achterkant van de ski’s in de sneeuw tijdens een bocht.
Niet alleen zorgt dit voor onstabiliteit maar ook voor een afremming en dus een vermindering in snelheid.
ën wordt de ski in de sneeuw gedrukt. Hierdoor wordt door de concave vorm van de zijkant van de ski, de ski krom in de sneeuw gedrukt, wat zorgt voor een bocht. Deze bochten zijn zeer strak en snel en is remmen een moeilijke opgave.
Freestyle
Bij het freestyle skiën gaat het hem zoals de naam zegt om vrij te doen wat men wilt. Er zijn geen regels van wat men moet doen. Men is geheel vrij en punten worden gegeven op de moeilijkheidsgraad en de afwerking van de manoeuvres die men maakt.
Aerials
Aerials worden gedaan door het skiën van een schans waarna de skieër in de lucht wordt gekatapulteert, net zoals schansspringen. Daarna doet de atleet een reeks saltos of andere stunts waarna deze landt op de skibaan. Regel is dat de skibaan na de schans een helling 34 tot 39 graden moet hebben.
Ski-cross
Bij de ski-cross gaat het erom dat 4 skieërs tegelijkertijd een afdaling maken waarbij ze om het eerst de finish moeten halen.
Deze vorm van skiën is gevaarlijk omdat men niet alleen de baan, maar ook de andere deelnemers in acht moet nemen.
Ze wordt in hoofdzaak beoefent door reeds ervaren skieërs.
Half-pipe
Half pipe letterlijk vertaald naar het Nederlands betekent halve buis. En dat is een half pipe ook. Op een half pipe kan een skieër stunts doen door zichzelf van de ene hoogte op de baan te laten glijden. Hierdoor winnen ze snelheid en kan men aan de andere kant boven de half pipe uitkomen om een stunt te maken.
Er worden punten gegeven op de moeilijkheidsgraad van de stunts en de afwerking.
